Aad de Haas wordt geboren op 30 december 1920 te Rotterdam, als eerste zoon van Adrianus de Haas en Antonia Hendrika Kleisterlee. Ondanks de wens van zijn ouders om hem zijn brood met een kantoorbaan te zien verdienen - een kunstenaarsbestaan is volgens hen te riskant – blijkt al vrij snel dat dit niet voor hem is weggelegd. De Haas raakt namelijk binnen korte tijd zijn eerste kantoorbaan bij R.K.
Bevolkingsregister kwijt vanwege een fikse ruzie met zijn baas. Met deze gebeurtenis in gedachten besluiten zijn ouders in 1938 dat hij de dagopleiding van de vrije studierichting aan de Academie van Beeldende Kunsten in Rotterdam toch mag volgen. Na de voltooiing van de opleiding in 1942 toont hij tweemaal zijn werk in Kunsthandel Van Zanten. Op 25 september 1943 wordt zijn werk door de Duitse bezetter in beslag genomen. De Haas moet zich melden bij het Rotterdamse politiebureau en na twee weken lang verhoord te zijn, wordt hij op 9 oktober gevangen gezet. Zijn werk wordt ‘ontaard’ verklaard en in beslag genomen. In maart 1944 volgt zijn vrijlating, waarop hij – op de dag na zijn trouwdag – naar het Limburgse Ingber (bij Gulpen) vlucht waar het jonge stel een vakwerkhuisje betrekt. De Haas werkt er gestaag door aan zijn uitgebreide oeuvre, mag de eerste Gerrit van der Veen-prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet in ontvangst nemen en ontvangt zijn grootste opdracht tot dan toe: hij mag het kerkje van Wahlwiller van schilderingen voorzien. Zijn werk wordt echter niet door iedereen positief ontvangen. Na de officiële afkeuring van De Haas’ illustraties bij een lijdensmeditatie door de Congregatie van het Heilige Officie te Rome, eist de Bisschop van Roermond uiteindelijk de verwijdering van de kruiswegstaties. De Haas draagt ze op Goede Vrijdag, 15 april, zelf de kerk uit, waarna Stichting Limburgs Kunstbezit ze in 1951 aankoopt en in het Bonnefantenmuseum Maastricht plaatst. Vanaf dat moment lijkt het tij te keren. De Haas en zijn gezin krijgen een woonruimte toegewezen waar hij zich voor het eerst echt op zijn plaats voelt: kasteel Strijthagen te Schaesberg. Eveneens ontvangt hij enkele opdrachten voor muurschilderingen in Heerlen en Maastricht en twee grote tentoonstellingen in Kasteel Hoensbroek en Cultureel Centrum Venlo. De nieuwe bisschop van Roermond besluit bovendien dat de kruiswegstatie teruggeplaatst moet worden. Helaas maakt De Haas de terugplaatsing in december 1980 niet meer mee, aangezien hij, na getroffen te zijn door een hersenbloeding, op 21 maart 1972 overlijdt. In het atelier van De Haas worden na zijn dood meer dan vijftig niet eerder getoonde schilderijen aangetroffen, die grotendeels van erotische aard zijn.