Stichting Sunnie Moslims - Taibah

Stichting Sunnie Moslims - Taibah Taibah

1e gebouw in 1985

2e gebouw in 2003

3e tooba erbij 2015

Shah Alam MosqueMalaysia 2026
28/07/2026

Shah Alam Mosque
Malaysia 2026

27/07/2026

De Surinaamse Moesliem Associatie

o.l.v.

Hadji Mohammad Junus Abdulgaffar (rahmatoellaahi alaih)

van 1979 tot 1991

Ten geleide

In mijn duurzame en levendige herinnering beleefde ik sinds mijn inkomst in de gelederen van de
Surinaamse Moesliem Associatie (S.M.A.) als
 direkteur van de Dr.F.R. Ansari GLOschool S.M.A.,
 direkteur van de Imaam Abu Hanifa Muloschool S.M.A.,
 secretaris en/of penningmeester van het Masdjied Comité S.M.A.,
 secretaris en/of penningmeester van het Mielaadoen Nabie Comité S.M.A.,
 secretaris en/of penningmeester van het Weeshuis S.M.A. en
 secretaris en/of penningmeester van de Hoofdmoskee S.M.A.,
heel veel persoonlijke momenten en gebeurtenissen zowel binnen als buiten de kring van mijn
bestuurlijke bezigheden en anderszins. In de loop van mijn werkjaren, van 1964 tot 1987, zag ik
achtereenvolgens menige bestuursvoorzitter naar zijn beste vermogen en kracht werken aan de zo
nodige groei en bloei van de Surinaamse Moesliem Associatie in Suriname. Dit voorwaarts streven,
maar dan wel een onafgebroken en effectief streven naar een zo doelmatig mogelijke inrichting van
de Gemeente, was eveneens te ervaren bij het ambitieuze leiderschap van hadji Mohammad Junus
Abdulgaffar (r.a.), die recentelijk op 08 april 2020 in de eeuwige heerlijkheid en zaligheid
opgenomen en in de liefde van Allah geborgen werd.
Gedurende mijn samenwerking met hem en diens bestuurdersgroep, evenals bij menigeens weten,
had hij tijdens zijn voorzitterschap van 1980 tot 1991 zich ontpopt als één van de actieve en
succesvolle leiders van de S.M.A.. Met deze heugenis in hoofd en hart betaamt en behaagt het mij
daarom hem bij dezen een postume hulde te brengen voor zijn verrichte goede werk t.b.v. de
Gemeente S.M.A.. Blijkens het hierna volgend overzicht van zijn verdiensten en successen is hij voor
deze organisatie een persoon van grote betekenis geweest.

Zijn introductie in de S.M.A.

Sedert zijn debuut in de Surinaamse Moesliem Associatie had hadji Junus (r.a.) zich met hart en ziel
gewijd aan de behartiging der belangen van deze Djamaat (Gemeente) in het algemeen en aan de
instandhouding van de oorspronkelijke principes en doelstellingen van de Islam volgens de leerschool
van Imaam Abu Hanifa (r.a) in het bijzonder.
Zijn eerste intrede in het vervullen van een bestuursfunctie deed hij in het jaar 1979, nadat hij
daarvoor door het hoofdbestuurslid dhr. H.A.D.Kurban en het gemeentelid mr. Moestafa
S.A.Nurmohamed (Humphry) benaderd was geweest. Mede als gevolg van de exodus uit Suriname

2
vóór, tijdens en na de Onafhankelijkheid van Suriname in 1975 decimeerde het aantal leden van het
Hoofdbestuur van de S.M.A. van 15 naar 4. De vier overgebleven bestuursleden, m.n. wijlen hadji
Azimulla Abdulbasier (Tjoehtoen), wijlen hadji Isaak Ali Basnoe, hadji Leendert M.R. Guman en dhr.
H.A.D.Kurban, werden in de uitoefening van hun bestuursfunctie meer belast dan de normale
spanning en het prestatievermogen het toeliet. Vooral de twee laatstgenoemden moesten de hele
administratieve en financiële rompslomp van zo’n grote Gemeente met al haar annexen op hun
schouders dragen met allerlei psychische gevolgen van dien. Hierdoor begon hun werkpositie
onhoudbaar te worden. De behoefte aan behulpzaamheid van vrijwilligers om de zaken van S.M.A.
op poten te houden, werd steeds dringender en noodzakelijker. Na op de hoogte gesteld te zijn van
deze netelige omstandigheden van de Djamaat, aarzelde hadji Junus (r.a.) geen moment om zijn
medewerking en steun aan de S.M.A. te verlenen.

Zijn intrede als bestuurslid van het Weeshuis S.M.A.

In de jaren 70 beschikte de S.M.A. op het achtererf van de Hoofdmoskee aan de Kankantriestraat een
Internaat/Weeshuis annex Scholencomplex, dat uit de Surinaams-Nederlandse verdragsmiddelen
gebouwd en gefinancierd was. De Commissie Ontwikkelingshulp Nederland Suriname had in het jaar
1978 in meerdere besprekingen met het Hoofdbestuur van de S.M.A. erop aangedrongen om ter
afsluiting van dit ontwikkelingsproject het Weeshuis uiteindelijk startklaar te maken. De heer
H.Kurban die indertijd als aangewezen bestuurslid de verantwoordelijkheid op zich had genomen
voor de inrichting en ingebruikname van dit tehuis, had in 1979 samen met mr. M.S.A. Nurmohamed
(Humphry) een dringend beroep gedaan op een aantal positionele moesliems om ter optimale
functionering van deze instelling zitting te nemen in het prille bestuur van het Weeshuis S.M.A..
Het sprak hadji Junus (r.a.) geweldig aan en hij had - evenals de overige bereidvaardige deelnemers,
nl. mr. M.S.A. Nurmohamed (Humphry), wijlen Mohamed Salim Amirkhan (Charles), wijlen Hans
Mohammed Islam Nazir , wijlen Mohammed Aziz Nazir (Remy), wijlen hadji Jacoeb Slamat, wijlen dr.
Mohammed Jacoeb Sulaiman en wijlen hadji Mohammed Safie Nanekhan – er degelijk zin in om
samen met zijn comparanten dit nieuwe Weeshuis belangeloos in goede banen te leiden. In rap
tempo werd er onmiddellijk aan de inrichting en organisatie van het tehuis gewerkt, zoals
 de verrichting van kleine reparaties;
 de grote schoonmaak van het tehuis zowel binnen als buiten;
 de opmaak en aanschaf van de benodigde inventaris;
 de aankleding van alle kamers, keuken en aula;
 de instelling van een ondersteunend vrouwengroep;
 de inschrijving van weeskinderen en hun huisvesting in het tehuis;
 de aanstelling van een weesvader, -moeder en schoonmaker;
 de begeleiding en scholing van de kinderen in algemene en religieuze zin;
 de juridische advisering door mr. M.S.A. Nurmohamed;
 de medische verzorging door wijlen dr. M.J. Sulaiman en
 het financiële beheer en de subsidiesaanvraag door H.A.D. Kurban.
Na al deze voorzieningen getroffen te hebben, werd het Weeshuis uiteindelijk met plechtige, rituele
handelingen tot zijn gebruik gewijd. Hadji Junus (r.a.) c.s. ging aldus zeer voortvarend van start en
was tevens nauw betrokken bij belangrijke fondswervingsacties ter besteding van de ontvangen
gelden aan dit goede doel. Vooral onze dankbare Surinaamse moesliems en/of moesliemorganisaties

3
in diaspora hadden met hun jaarlijkse financiële steun een enorme bijdrage geleverd aan het mede
overeind houden van dit tehuis. Doordat er met goed beleid van wal werd gestoken, draaide het
Weeshuis tot aller tevredenheid naar behoren. Daarenboven kwam het sinds zijn oprichting
nagenoeg niets tekort en hoefde men er gelukkig niet veel voor te lopen.

Zijn indrukwekkende restauratie van de Hoofdmoskee S.M.A.

Zijn vertoning van gedrevenheid, werkanimo, wijze van werk en omgang in een kort tijdsbestek
binnen de S.M.A. had ertoe geleid, dat hadji Junus (r.a.) in het jaar 1980 bij de verkiezingen van de
S.M.A. voor het eerst tot voorzitter werd gekozen. Menigeen zag in hem degene, die a.h.w. geroepen
was om leiding aan de Djamaat te geven en de gevestigde positie van S.M.A. met een doelgericht
beleid te verstevigen en zo goed mogelijk te vergroten. Na tot voorzitter gekozen te zijn, beijverde hij
zich allereerst voor het treffen van algemene beleidsmaatregelen, vooral met betrekking tot het
onderhoud van bestaande gebouwen en eigendommen. Wegens dringende noodzaak stelde hij alles
in het werk voor het herstel van de in 1957 gebouwde Hoofdmoskee, die door de tijd heen als gevolg
van dak lekkages en aantasting door houtluizen in verval was geraakt. Echter, terwijl de
voorbereidingen daartoe in een vergevorderd stadium verkeerden, ontstonden er twijfels aan de
levensvatbaarheid van het herstelproject. Na langere tijd van rijp beraad werd er in laatste instantie
afgezien van de voorgenomen oppervlakkige reparaties aan het gebedshuis, die bij nader inzien
inefficiënt en ondeugdelijk zouden zijn.
In het jaar 1982, d.i. de periode van verzoening en samenwerking met de oppositionele partij in de
Gemeente, werd in een bredere kring van beijveraars, raadgevers en experts de gedachte geopperd
om begin 1983 tot één naar behoren grondige restauratie over te gaan. Dit was in het bijzonder
mede te danken aan onze Eerwaarde Allaamah Sheighoelhadith Mufti Mohammed Ashraf ul Qadri
die indertijd als dienstdoende Aliem (godsdienstgeleerde) in de S.M.A. werkzaam was. Als prominent
geestelijke leider en gezaghebbende bemiddelaar zorgde hij omwille van de eenheid voor een
aanvaardbare oplossing van geschillen tussen controversiële leden of ledengroepen in de Djamaat.
Tot blijdschap van iedereen slaagde eerwaarde Allaamah Mufti erin om op Ied-ul-Fitr-dag ten
aanschouwen en aanhoren van de aanwezigen in de Hoofdmoskee een volledige verzoening tot
stand te brengen.
Onder de bezielende leiding van hadji Junus (r.a.) vielen de ruimhartige giften van de donateurs bij
stromen neer en boden zelfs velen vrijwillig hun hand- en spandiensten aan bij de werkzaamheden
van dit bouwwerk. Binnen 1½ jaar tijd, zonder enige stagnatie, had tot ieders verbazing de voltooiing
van het gebouw plaatsgevonden waarbij er zich geen tekort, maar zelfs een overschot van gelden
voordeed. En warempel, een ander aanzicht uitstralende Hoofdmoskee stond als een schitterende
parel wederom in haar bestaande vloeren gevestigd en bevestigd.
Het stond onomstootbaar vast dat hadji Junus (r.a.) c.s. hiermee een gewichtige mijlpaal in de
geschiedenis van de S.M.A. bereikt had. Deze hernieuwde Hoofdmoskee was behalve een belangrijke
bezienswaardigheid en toeristische trekpleister van Suriname ook het fraaiste bedehuis in heel
Noord-, Midden- en Zuid-Amerika geworden. In 1984 vond ten slotte de heropening van de
Hoofdmoskee op sublieme wijze plaats, waarbij tevens veel hoogaanzienlijken des lands aanwezig
waren o.a. de president van Suriname, m.n. dhr. F. Ramdath Misier. Twee dagenlang werd het

4
openingsfeest grandioos en uitbundig gevierd, gepaard gaande met koranrecitaties, lofliederen en
toespraken. De officiële inwijding ervan geschiedde door onze Eerwaarde Allaamah Shah Ahmad
Noorani Siddique (rahmatoellaah alaih) die hiervoor speciaal naar Suriname was overgekomen.

Zijn beleidsvoering op de Scholen S.M.A.

Reeds in het beginstadium van zijn voorzitterschap in de jaren 80 werd hadji Junus (r.a.) in maart
1981 abrupt geconfronteerd met problemen op o.a. de Imaam Abu Hanifa Muloschool S.M.A.. Bij tijd
en wijle werd de voortgang van het onderwijs in de klassen verstoord door heersende conflicten
tussen enerzijds de wnd. direktrice en het personeel en anderzijds de wnd. direktrice en een aantal
ontevreden leerlingen. Zowel het personeel als de kinderen konden zich niet met het schoolbeleid
van de leiding verenigen, wat onder meer tot korte onderwijsstakingen door een groepje leerlingen
had geleid. Hierdoor kon het onderwijs op de desbetreffende school niet helemaal tot zijn recht
komen. Zelfs de Onderwijzersbond van de S.M.A. die zich met deze kwestie had ingelaten, kon helaas
geen aanvaardbare oplossing aandragen.
Hadji Junus (r.a.) en de zijnen lieten zich in vergadering door het onderwijzend personeel omstandig
informeren omtrent de gerezen moeilijkheden binnen de muloschool. Na gedegen onderzoek kwam
het Hoofdbestuur tot het inzicht waar en wie de wortel van deze chaos was. In overleg en
samenwerking met het lerarenkorps alsook uit overwegingen van billijkheid had hadji Junus (r.a.) c.s.
besloten om ingrijpende maatregelen te treffen voor
 het herstel van de rust en orde op school;
 de saamhorigheid en goede teamgeest onderling;
 een normaal verloop van het onderwijsproces op school;
 een hechte samenwerking tussen school en leerlingen én ouders;
 de verzorging van goed opvoedend onderwijs;
 de verantwoordelijkheid van de schoolleiding en het gedrag van de leraar.
De wnd. direktrice werd dan ook uit haar waarnemende functie ontheven en teruggeplaatst in haar
vroegere taak als lerares op de Abu Hanifa Muloschool. Tot genoegen van de lerarengroep werd
iemand anders belast met de tijdelijke waarneming van de functie van schooldirekteur. Echter na
deze kennisgeving viel bij haar aan geen terugtreden te denken en stapte ze naar de vakbond om
haar protest tegen het besluit van het Hoofdbestuur S.M.A. aan te tekenen. Intussen had zowel de
Inspecteur van Onderwijs als de Nationale Militaire Raad na eigen onderzoek de Minister van
Onderwijs gerapporteerd omtrent de problematiek en haar omvang op de Abu Hanifa Muloschool.
De minister nodigde op zijn beurt het Hoofdbestuur S.M.A., de Vakbeweging en de Nationale
Militaire Raad uit voor nadere bespreking en oplossing van het onderwijsprobleem op de
desbetreffende muloschool. Hierbij werd overeengekomen, dat de genomen maatregelen door de
S.M.A. nageleefd moesten worden en dat de ontheven wnd. direktrice uit haar functie op een
openbare muloschool overgeplaatst zou worden. Na dit bereikte resultaat kenden de scholen tijdens
de leidinggevende periode van hadji Junus (r.a.) geen noemenswaardige problemen meer in hun
onderwijsproces.

5

Zijn begraafplaatsbeleid

Gestuwd door zijn sterke innerlijke aandrang nam hadji Junus (r.a.) in het jaar 1981 het initiatief om
de begraafplaats van de S.M.A., die in verwaarloosde staat verkeerde, in behoorlijke orde te
brengen. Met voortvarendheid liet hij eerst het oneffen terrein vol kuilen, dat bovendien onder het
hoge onkruid stond, egaliseren en waar nodig met zand opvullen, een begaanbare brede rijweg naar
de graven toe aanleggen en een aantal greppels voor de afvoer van het overtollig water uitgraven.
Hierna liet hij alle bestaande bekende en anonieme graven benummeren en benoemen én hun
beschikbare gegevens opnieuw in een grafregister vastleggen. Met medewerking van het Ministerie
van Binnenlandse Zaken werd het slechte trottoir vóór de begraafplaats eerst geëgaliseerd en daarna
van stoeptegels en parkeervakken voorzien. De met onkruid overwoekerde, gehavende schutting en
oneffen grond rondom de begraafplaats werden grondig ter hand genomen. Vervolgens werd aan de
voorzijde van de begraafplaats ter ere en gedachtenis van een gestorven broeder of zuster een
rouwhuis met een bijbehorende aula gebouwd. Hierdoor werden verwanten en relaties in de
gelegenheid gesteld een laatste blik op de overledene te werpen en de lijkdienst te laten houden.
Voorts stond onweerlegbaar vast, dat als geen ander dan aan hadji Junus (r.a.) de eer toekwam om
als eerste in de historie van de S.M.A. deze Gemeente over haar eerste lijkwagen te doen beschikken.
Bovendien gaf hij de eerste stoot tot het instellen van een Begrafenisfonds S.M.A. als bron van
inkomsten voor het dekken van onderhoudskosten e.d. van de begraafplaats. Daarnaast met het doel
de Djamaatleden in de gelegenheid te stellen om bij overlijden kosteloos begraven te worden
middels het betalen van een contributie van Sf.1,= per maand. Het bestuurslid wijlen dhr. Ajoeb
Gafoer werd door hadji Junus (r.a.) aangesteld om zich te belasten met zowel het algeheel financieel,
administratief en technisch beheer als het groot onderhoud van de begraafplaats.
Na deze algehele reorganisatie ging hadji Junus (r.a.) ten langen leste over tot de heropening van de
grafakker. Onder grote belangstelling van de Djamaatleden werd de Begraafplaats S.M.A., die in een
nieuw jasje gestoken was, tot zijn gebruik gewijd. Dit geschiedde met het in-top-hijsen van de
Islamitische vlag aan de vlaggenstok vóór het rouwhuis en met rituele handelingen en plechtige
toespraken door o.a. Allaamah Mufti Mohammed Ashraf ul Qadri, hadji Junus (r.a.) en wijlen Ajoeb
Gafoer. Met deze reeks van genomen initiatieven had hadji Junus (r.a.) dan ook grote bijval, veel
hulde en eer bij velen in de S.M.A. geoogst.

Zijn scholing in de Arabische grammatica

Met ijver en aandrang en met hart en ziel deed hadji Junus (r.a.) elke avond tussen het Maghrib- en
Ishagebed samen met een 40-tal studiegenoten de elementaire kennis van het Arabisch op. Dit
grammaticale onderwijs werd destijds door onze hoogste geestelijke Eerwaarde Allaamah
Sheighoelhadith Mufti Mohammed Ashraf ul Qadri in de Hoofdmoskee verzorgd. Naast zijn specifieke
kennis van de hadith en het Islamitisch recht, beheerste deze grootrechtsgeleerde de fonetiek als
grondslag voor de techniek van het Arabisch spreken.

6
Met uiterste inspanning en door maandenlange oefeningen trachtten zijn aanvankelijk
gecharmeerde leerlingen een zodanige beheersing van kaak- en tongbeweging te verkrijgen dat een
juiste articulatie tot stand kwam. De hulp van Mufti als leraar was hierbij in het algemeen onmisbaar.
Velen hadden ontzettend moeite met de wijze van voortbrenging van de Arabische spraakklanken en
geleidelijk aan haakte één voor één af van het verder volgen van dit fonetisch onderwijs. Dit tot
teleurstelling van de leraar. Op het laatst was hadji Junus (r.a.) als enige persoon overgebleven die
dankzij zijn wilskracht en leeranimo het niet naliet zich de kennis van de Arabische klankleer en de
leeskunst eigen te maken. Zijn voortdurende ijver en vlijt werd uiteindelijk met succes bekroond. Op
den duur ging hij zelf aan de slag om het Arabisch lezen aan een aantal kinderen te onderrichten.

Zijn overige geloofsactiviteiten

Tijdens het militaire bewind in de jaren 80 was hadji Junus (r.a.) c.s. bij de Minister van Binnenlandse
Zaken op audiëntie geweest ten einde een aantal wensen voor de S.M.A. ingewilligd te krijgen. Met
dit bezoek bereikte hij de hierna volgende resultaten:
 bij ministeriële beschikking werd een vijftal erkende huwelijksbeambten voor heel Suriname
naar eigen keuze toegewezen;
 de vastgehouden subsidieaanvragen voor de moskeeën van S.M.A. over 8 jaren werden
behandeld en gehonoreerd;
 het verzoek om van overheidswege het trottoir vóór de begraafplaats S.M.A. van stoeptegels
en parkeervakken alsook de rijweg op de grafakker van lantaarns te voorzien, werd
ingewilligd.
Het zij hierbij opgemerkt, dat de S.M.A. reeds decenniumlang van eigen huwelijksvoltrekkers, die als
officiële ambtenaren Islamitische huwelijken in Suriname konden sluiten, verstoken was gebleven.
Ook de subsidiëring door de overheid had de Gemeente voor langere tijd moeten ontberen. Meestal
had de S.M.A. op de behandeling en honorering van deze zaken langdurig moeten wachten,
klaarblijkelijk wegens politieke redenen. Enkel en alleen om het feit, dat prominenten uit haar
gelederen een politieke functie in het land bekleedden, werd de S.M.A. in dit opzicht onterecht
gelieerd aan of verstrengeld met hun toebehorende politieke partij. Het zittend bestuur met hadji
Junus (r.a.) als voorzitter had daarentegen op de desbetreffende audiëntie bij de minister zijn visie
en bezwaren te berde gebracht. De bewindsman had hiervoor begrip getoond en was de S.M.A. in
haar eerdergenoemde wensen dan ook tegemoet gekomen.
In het jaar 1981, op de dag van Ied-ul-Fitr, hield hadji Junus (r.a.) zijn ceremoniële
felicitatietoespraak tot de aanwezigen in de Hoofdmoskee, met als verrassing zijn aankondiging van
de door overheidswege toegewezen huwelijksbescheiden aan een vijftal personen van de S.M.A..
Onmiddellijk na zijn toespraak reikte hij persoonlijk de onderhavige huwelijkscertificaten en
–registers uit aan achtereenvolgens hadji imaam Mohamedislam Soebhaan, hadji moulvi Rafiek
Guman, wijlen hadji moazzan Itbaarshah Chandoe, wijlen hadji moulvi Aslam Santoe en wijlen
moulvi Habieb Jagroe.
Onder zijn leiding ging een sterke stimulans uit om de bestuurstaken getrouw en behoorlijk na te
leven en naar Islamitische regelgevingen te handelen. Met nadruk wees hij erop, dat beslissingen
over geloofszaken in de Gemeente niet eigendunkelijk, maar telkens in overleg met de hoogste

7
geestelijke leider i.c. de imaam dienden genomen te worden. Transparantie stond hoog bij hem
aangeschreven: elk bestuurslid werd gemotiveerd om periodiek in zowel woord als geschrift rekening
en verantwoording te geven omtrent de vermogenstoestand van de vereniging en van alles
betreffende zijn werkzaamheden; verder goed van vertrouwen bij de leden te zijn en, indien
wenselijk, hen in de gelegenheid te stellen inzage te doen in boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers alsook de balans en staat van baten en lasten. Hij stond als leider dikwijls klaar voor
tevredenen en ontevredenen, mede- en tegenstanders, goed- en kwaadgezinden, achterdochtigers
e.d. om antwoord of toelichting op hun vragen te geven of een afspraak met hen te maken. Deze
persoonlijke interactie die hij met zijn Gemeenteleden had om elkaars inzichten te delen, was dan
ook zijn gedragspatroon dat hij etaleerde.
Opvallend was dat zijn aangesneden ideeën, die voor menigeen onrealiseerbaar leken te zijn, soms
veel weerstand van zijn medewerkers ondervonden. Voor de verwezenlijking van zijn ambitieuze
plannen die met veel geld gemoeid zouden gaan, wilde niet een ieder zijner comparanten de
verantwoording op zich nemen. Immers de nodige geldmiddelen tot uitvoering van dure projecten
ontbraken de S.M.A.. Doch zonder zich hierom te bekommeren, had hij als een gestadige doordrijver
zijn voornemens tegen hun wens of gevoelen doen aanvaarden of uitvoeren. Bewust zijnde van de
gaven der fortuin, de passie en innerlijke gedrevenheid van de Djamaat liet hij hulpcomités bij de
leden de drempel platlopen om de nodige geldmiddelen en/of goederen in natura bijeen te
scharrelen. Zodoende oogstte hij als leidinggevende veel succes en vooruitgang voor de S.M.A..
In zijn zittingsperiode ontkwam hadji Junus (r.a.) bij zijn geloofsactiviteiten niet aan de invloedrijke
leer en toonaangevend leven van prominente ulema als Allaamah Shah Ahmad Noorani Siddique
(rahmatoellaah alaih), Allaamah Syed Saadat Ali Qadri (rahmatoelaah alaih) en Allaamah
Sheighoelhadith Mufti Mohammed Ashraf ul Qadri. Deze ulema zijn onder meer voor het
Hoofdbestuur en de Djamaat van de S.M.A. grote inspiratiebronnen geweest om de Islam met een
gloeiende en blakende boezem te beleven. In hún echte trant en stijl had hadji Junus (r.a.) zich met
liefde en geestdrift optimaal ingezet om de organisatie van erediensten, bezinningsavonden,
herdenkingsbijeenkomsten, hoogtijdagen en overige manifestaties zo goed mogelijk te laten
verlopen. Vooral de gerenommeerde prachtige Mielaadoen-Nabie-optochten alsook de bruisende
Mielaadoen-Nabie-massabijeenkomsten in Paramaribo waren bijzonder populair en spectaculair
geweest.
Al sedert het jaar 1972 stond de Geboorteherdenking van de heilige Profeet Mohammad (sallallaho
alaihi wassallam) in Suriname in het kardinale punt van religieuze feestmanifestaties. In navolging
van zijn voorgangers liet hadji Junus (r.a.) deze gewichtige gebeurtenis geenszins ongemerkt
voorbijgaan. Evenals maulana Saadat Ali Qadri liet hij Ied-Mielaadoen-Nabie grandioos en uitbundig
vieren. Velen hadden zich vergaapt aan al die fascinerende sfeerverlichting en decoratie van de
moskeeën, scholen, winkels en woningen, alsook aan het prachtig gezicht van al die uitgestoken
Islamitische vlaggen. Heel veel lof en bijval had hadji Junus (r.a.) verworven met zijn opgetooide
Mielaadoen-Nabie-optocht, die schitterend in alle pracht en praal in de straten van Paramaribo
rondging, met zwaaiende en wapperende vlaggen, met stemverheffing scanderende geloofsleuze via
de luidsprekers, en met opgestoken spandoeken waarop de Boodschap van de heilige Profeet
Mohammed (s.a.w.) geproclameerd en gepropageerd werd. Wat een hele ooglijke belevenis was het
indertijd voor menigeen niet geweest!
Vervolgens behoorden tot zijn voorbeeldig gedrag zijn gewijde bezoeken aan begraafplaatsen, in het
bijzonder bij gelegenheden als Shab-e-baraat, Lailatul-Qadr, Ied-ul-Fitr en Ied-ul-Adha. Samen met
een schaar van moesliembroeders bezocht hij de graven voor het bidden voor de zielenrust van
bloedverwanten, aanverwanten en overige dierbaren die vroeger of later op deze aarde geleefd

8
hadden. Telkens werd bij zo’n grafbezoek gewezen op het nut en heil ervan: de zielen van de
overledenen profiteerden van de smeekbedes der aanwezige levenden bij hun graf, terwijl de
overlevenden door de afgestorvenen in hun graf aan de dood werden herinnerd; immers bezinning
of heroverweging op de dood zou zo kunnen leiden tot een deugdzaam, rechtschapen en
godsvruchtig leven op deze aardbol.
Overigens spande hij zich traditiegetrouw in om het lot van hulpbehoevenden en gebrekkigen, van
nooddruftige gezinnen en bejaarden alsook van overige noodlijdenden te verzachten met giften in
natura en/of de beschikbare zakaatgelden. In gemeenschappelijke samenwerking zorgde hij ervoor
dat de zakaatbussen in de moskeeën voldoende met giften en gaven werden gevuld, zodat o.a. de
armen en behoeftigen jaarlijks in hun hoognodige levensbehoeften werden voorzien.

Zijn aanpak tegen de wahabismeplaag in de S.M.A.

In de jaren 80 werd de S.M.A. uit haar sluimer ontwaakt en opgeschrikt door de ondoorzienbare
ontkieming van het wahabisme in Suriname. Decennialang trokken de wahabitische missionarissen
door de wereld rond om het extreme wahabitische gedachtegoed te promoten. Hierbij was Suriname
van hun zendingsmissie niet bespaard gebleven en werden deze zendelingen gedurende tientallen
jaren door veel argeloze soennitische organisaties met open armen in hun moskeeën ontvangen.
Buitendien namen zij de aangeboden gelegenheid te baat om in de moskee te bivakkeren zonder zich
hierbij kenbaar te maken en/of enig argwaan te wekken van hun heimelijke doeleinden. Ieder jaar
werden er beurtelings in een land conferenties en/of seminaries door Saoedi-Arabië georganiseerd
waaraan onder meer afgevaardigden van de S.M.A. op kosten van dit koninkrijk deelnamen. Als
gevolg hiervan geraakten enkele vooraanstaande soennitische moulvi’s in de invloedssfeer van deze
conservatieve stroming. Langzaamaan begonnen ze de wahabitische principes te huldigen.
Uiteindelijk aanvaardden zij, meestal door zwichting voor het Saoedisch geld, deze radicale denkwijze
en hadden zich steevast in hun daden daarnaar gericht.
Op het moment dat S.M.A. aan de beurt was zo’n seminarie met Saoedische financiën in Suriname
te organiseren, werd door hadji Junus (r.a.) op stevige aandrang van Allaamah Sheighoelhadith Mufti
Mohammed Ashraf ul Qadri direct ingegrepen in de voortgang ervan. Alle voorbereidingen werden
stopgezet; een cheque van $10.000, = werd geretourneerd; de distributie van een duizendtal
geschonken Koranboeken met wahabitische nuances werd stilgelegd; zowel de toezending van
Islamitische lesmaterialen voor de S.M.A.-scholen als litteraire boeken voor de bibliotheek S.M.A.
werd geweigerd en alle vormen van financiëring door Saoedi-Arabië werden geblokkeerd. Naar
aanleiding van dit ingenomen rigide standpunt van de S.M.A. werd destijds door de World Islamic
Mission van Saoedi-Arabië een vertegenwoordiger naar Suriname gestuurd om met het S.M.A.-
bestuur vrij van gedachten te wisselen. Deze afgezant werd toen in besloten kring ten huize van
familie Ali Nazir aan de Rijweg naar Kwatta in de gelegenheid gesteld om aangaande onderhavige
weigering en blokkering met Allaamah Sheighoelhadith Mufti Ashraf in debat te treden. In ademloze
spanning zagen hadji Junus (r.a.), wijlen hadji Ajoeb Madhar en dhr. H.A.D.Kurban toe hoe een
langdurige, levendige en heftige discussie tussen beide debaters ontbrandde. Met allerlei
gerenommeerde bronnen had Allaamah Mufti, als groot kenner van het wahabisme, uitentreuren uit
de doeken gedaan en vastgesteld, dat de opvattingen van het wahabisme niet representatief waren
voor of thuishoorden in de soennitische Islam. Het was overduidelijk dat de betrokken wahabiet in
geen enkel opzicht opgewassen was tegen een groot islamgeleerde en groot redenaar als Allaamah
Mufti Ashraf. Onverrichterzake keerde hij tenslotte terug naar Saoedi-Arabië. Nadien werd de

9
Djamaat in talrijke lezingen en preken nadrukkelijk gewezen op het dreigend gevaar van het
wahabisme, dat met zijn zichtbare invloed in de wereld steeds in aanhang toenam. Alle eer en
waardering kwam Allaamah Mufti Ashraf ul Qadri toe, die zich in deze kwestie als reddingsboei van
de S.M.A. had opgeworpen. Zodoende had hij menig rechtgeaarde moesliem uit de handen van het
wahabisme en zijn radicale opvolgers gered. Met zijn gigantische kennis van de Islam had hij
ongetwijfeld tijdens zijn verblijf in de S.M.A. heel veel bijgedragen aan een sterke bewustwording van
en een rotsvast vertrouwen in de waarden en principes van de Ahle Soennah.

Zijn eindpunt van zijn voorzitterschap in de S.M.A.

Reeds 10 jarenlang had hadji Mohammad Junus Abdulgaffar (r.a.) met veel charme, enthousiasme,
vol behagen, met liefde en naar behoren zijn functie als voorzitter van de S.M.A. in vervulling
gebracht. Ja, zoals het soms velen verging, belandde hij even zo goed in een situatie om een punt
achter zijn bestuursfunctie te zetten. Graag zou hij als gedrevene zijn lust tot goede vervulling van
zijn taak in de S.M.A. voor langere tijd voortzetten, maar persoonlijke omstandigheden noopten hem
er niet toe.
Zo verliet hij in 1991 de S.M.A. met een pijnlijk maar voldaan gevoel om zich met zijn gezin in
Nederland te verenigen. Maar voor hem was elk eindpunt een nieuw begin. Met gedrevenheid en
wilskracht én met zijn hart dat eindeloos bezield was met religieuze gevoelens, sloeg hij in korte tijd
zijn handen aan de ploeg bij Stichting Welzijn voor Moesliems in Nederland.
Aan hem dus een hartelijk proficiat met zijn onderhavige behaalde prestaties en geoogste
successen! Al met al, zal zijn nagelaten nobele Arbeid voor de Djamaat “Surinaamse Moesliem
Associatie” in Suriname in onze harten en verse geheugenis als een eeuwige gedenk- en erezuil
blijven prijken en voortleven. Zijn Roeping tot vervulling van een bepaalde levenstaak in Allahs
geleide en in het voetspoor van de heilige Profeet Mohammad (sallallaaho alaihi wassallam) zal hem
in religieus opzicht een verheven positie en een hoge eer in het hiernamaals doen verwerven. Moge
Allah, de Verhevene, hem daarvoor met ontzaglijk loon en zegen vergelden! (Ameen!)

Indachtig in mijn gebeden,
H.A.D.Kurban ( zijn comparant en naaste ex-bestuurslid)

Adres

Amsterdam
1104CH

Website

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Stichting Sunnie Moslims - Taibah nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Contact De Plaats Van Aanbidding

Stuur een bericht naar Stichting Sunnie Moslims - Taibah:

Snelkoppelingen

Delen