27/09/2026
Zeggen we ‘ja’, maar doen we ‘nee’?
Samenvatting van de preek van diaken John van Grinsven in de Lucaskerk op 27 september.
De Bijbel is het meest vertaalde en meest verkochte boek aller tijden. Maar misschien is het tegelijkertijd ook wel een van de minst begrepen boeken. Dat is eigenlijk niet zo vreemd, vertelde diaken John van Grinsven in zijn preek. Want de Bijbel is niet zomaar één boek. Het is een hele verzameling van boeken, verhalen, gedichten, gezangen, wijze spreuken, profetieën en brieven. Geschreven in oude talen en ontstaan in een cultuur die ver van de onze afstaat.
Toch staan er ook verhalen in die, ondanks hun ouderdom, verrassend helder zijn. Verhalen die niet versleten zijn geraakt, maar nog altijd iets over onszelf vertellen.
Zo’n verhaal vertelt Jezus over een vader en zijn twee zonen.
De vader vraagt zijn beide zonen om in de wijngaard te gaan werken. De ene zoon zegt: ‘Ja, ik ga.’ Maar uiteindelijk gaat hij niet. De andere zoon zegt eerlijk: ‘Nee, ik wil niet.’ Later krijgt hij spijt, komt tot inkeer en gaat alsnog aan het werk.
En dan lijkt Jezus ons een eenvoudige, maar ongemakkelijke vraag te stellen: op wie van die twee lijk jij?
Jezus heeft duidelijk meer waardering voor de tweede zoon. Niet omdat diens eerste antwoord zo goed was, maar omdat hij tot inkeer kwam en uiteindelijk wél deed wat van hem gevraagd werd.
Daarmee richt Jezus zich ook tot de vrome en brave mensen van zijn tijd. Mensen die precies leken te weten hoe het hoorde en die gemakkelijk op anderen neerkeken. Jezus houdt hun voor dat juist mensen die zij afschreven – tollenaars en vrouwen op wie werd neergekeken – tot inkeer waren gekomen. Zij veranderden hun leven. Terwijl degenen die zichzelf als vroom beschouwden niet naar Johannes hadden geluisterd en ook aan de woorden van Jezus weinig waarde hechtten.
Een oude parabel, maar volgens diaken John nog altijd hoogst actueel.
Want ook onze samenleving en onze kerk kennen mensen die ‘ja’ zeggen, maar vervolgens anders handelen. En er zijn ook mensen die aanvankelijk weigeren te doen wat van hen verwacht wordt, maar later tot een ander inzicht komen. Mensen die de moed hebben hun standpunt te herzien en alsnog in beweging te komen.
De eerlijke vraag is daarom niet alleen: wie van die twee zonen heeft het goed gedaan? De vraag is vooral: tot welke groep rekenen wij onszelf?
En misschien moeten we dan erkennen dat we allemaal wel iets van beide zonen in ons hebben.
Niemand van ons is helemaal goed of helemaal slecht. Soms doen we ons mooier voor dan we zijn. We zeggen het ene, maar doen het andere. Op andere momenten weigeren we misschien bewust iets te doen wat eigenlijk van ons verwacht mag worden. Maar het kan ook gebeuren dat we later tot inkeer komen. Dat we ons standpunt veranderen en dat anderen uiteindelijk toch weer op ons kunnen rekenen.
Daarmee waarschuwt Jezus ons ook voor een al te gemakkelijk oordeel over anderen. Mensen die heel deugdzaam lijken, blijken dat niet altijd te zijn. En mensen van wie wij misschien denken dat ze niet deugen, kunnen ons juist positief verrassen.
Ook Paulus zag hoe gemakkelijk mensen verkeerd naar elkaar kunnen kijken en te snel over elkaar oordelen. Daarom klinkt in de brief aan de christenen van Filippi de oproep om niet toe te geven aan partijzucht en ijdelheid. Denk niet dat je zelf zoveel beter bent dan een ander. Wees niet alleen uit op je eigen voordeel, maar draag zorg voor elkaar.
Uiteindelijk komt het dus niet alleen aan op mooie woorden of goede bedoelingen. Ons geloof moet zichtbaar worden in wat we daadwerkelijk doen.
Misschien is dat wel de uitnodiging die deze oude parabel ons vandaag meegeeft: durven we eerlijk naar onszelf te kijken? Durven we toe te geven dat ons ‘ja’ soms helemaal geen ja blijkt te zijn? En hebben we, wanneer we eerst ‘nee’ hebben gezegd, de moed om tot inkeer te komen, van gedachten te veranderen en alsnog het goede te doen?
Want juist daarin mogen we ons laten leiden door de gezindheid die Jezus Christus kenmerkte: niet onszelf boven de ander plaatsen, maar elkaar ter harte nemen.