05/05/2026
Hier zijn de teksten over/van Etty Hillesum die werden voorgelezen tijdens de Dodenherdenking.
Vrijdagavond meer over Etty met woord én muziek. De Sunshinecleaners komen naar ons toe. Ook u bent welkom!
Thema :” Men zou een pleister op vele wonden willen zijn”
Welkom vandaag hier in de kerk. Ieder jaar staan we op 4 mei stil bij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en van oorlogssituaties en vredesoperaties daarna. Zeker nu het zo onrustig is in vele gebieden verspreid over de wereld. Ver weg van ons maar ook dichtbij. En vandaag doen we dit door stil te staan bij het leven van Etty Hillesum. Wie is zij en wat is haar gedachtegoed. We lezen fragmenten uit haar vele dagboeken. En denken na over
Etty werd geboren in 1914 in Middelburg en werd bekend door haar dagboeken die zij schreef tijdens de Tweede wereldoorlog. In een tijd waarin de wereld voor haar en vele anderen steeds donkerder werd, probeerde Etty juist naar binnen te kijken. Ze onderzocht haar eigen gedachten, gevoelens en overtuigingen.
Wat bijzonder is aan Etty Hillesum, is dat ze ondanks alles bleef zoeken naar hoop en menselijkheid.
In plaats van zich te laten vullen met haat of wanhoop, probeerde ze het goede in de mensen te blijven zien. Ze geloofde dat ieder mens verantwoordelijkheid heeft om de wereld een beetje beter te maken.
Etty Hillesum was niet christelijk. Ze is ook niet gelovig opgevoed maar ontdekte zelf de waarde van haar Joodse wortels.
Op 9 maart 1941 begon zij een dagboek en dat is vaak een tweespraak tussen God en haarzelf.
“Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen om de toekomst niet als evenzovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van tevoren nergens voor in staan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook er aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die allen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou. Ik zal in de naaste toekomst nog heel veel gesprekken met je houden en je op die manier verhinderen van me weg te vluchten. Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein.”
Het leven van Etty Hillesum eindigde tragisch in 1943, maar haar woorden leven voort. Ze herinneren ons er aan dat innerlijke kracht, medemenselijkheid en hoop ook in de donkerste tijden kunnen blijven bestaan. Etty is dol op bloemen, ze schrijft er regelmatig over. Voor haar zijn ze in de waanzinnige en wrede tijd waarin zij leeft getuige van een andere werkelijkheid. Dat roept onbegrip op. “Hoe kun je nu nog aan bloemen denken?”, wordt haar verwijtend voor de voe-ten geworpen. Bloemen staan symbool voor schoonheid. Maar bloemen verwel-ken en spreken ook de taal van vergankelijkheid. Etty verbindt ze met eeuwig-heid. Een geur van troost die de stank van dood en deportaties verdrijft. Soms, als ze niet te veel verstrikt zit in de doornen van zorgen, kan een bloem tot haar spreken. Ze ervaart dan – ondanks de wreedheden en waanzin van de oorlog – iets van een groter geheel. Zo wordt haar aandacht getrokken naar de witte jasmijn die zij vanuit het raam van haar Amsterdamse woning ongegeneerd ziet bloeien.
Men moet ondanks de vele mensen, de vele vragen, de veelzijdige studie, altijd een grote stilte met zich meedragen, waarin men zich steeds terugtrekken kan, ook temidden van het grootste gewoel en midden in het intensiefste gesprek.
O ja, die jasmijn. Hoe is het toch mogelijk mijn God, hij staat daar ingeklemd tussen de verveloze muur van de achterburen en de garage. Tussen dat grauw en dat modderige donker is hij zó stralend, zo ongerept, zo uitbundig en zo teer, een overmoedige jonge bruid, verdwaald in een achterbuurt. Ik begrijp niets van die jasmijn. Dat hoef je ook niet te begrijpen. Men kan nog best in deze twintigste eeuw in wonderen geloven. Dit is een wonder. En ik geloof in God, ook als de luizen me binnenkort hebben opgevreten in Polen.”
En zeer, zeer bescheiden zijn …. En steeds eenvoudiger worden. … Niet alleen voor je zelf, in je stille en beste momenten die eenvoud en wijdte in je voelen, maar ook in je dagelijkse leven, geen sensaties om je heen uitstrooien, niet interessant willen zijn.
‘Men zou een pleister op vele wonden willen zijn’.
Daarmee bedoelde ze dat we hoe moeilijk het ook is, altijd kunnen we proberen mens te blijven.
Op 7 september 1943 werd zij met haar hele familie op transport gesteld. Op de briefkaart die zij uit de trein naar Auschwitz heeft geworpen schreef zij: ‘Zingende hebben we dit kamp verlaten.Het leven van Etty Hillesum eindigde maar haar woorden leven voort. Ze herinneren ons er aan dat innerlijke kracht, medemenselijkheid en hoop ook in de donkerste tijden kunnen blijven bestaan. Vandaag nemen we vooral haar woorden mee ‘Ik zou een pleister op vele wonden willen zijn’. En we vragen ons af… hoe kunnen wij in deze tijden een pleister zijn?
God, neem me aan Uw hand, ik zal braaf meegaan, zonder veel verzet. Ik zal me aan niets onttrekken van alles wat in dit leven op me aanstormt, ik zal het naar beste krachten verwerken. Maar geef me af en toe een kort ogenblik van rust. Ik zal ook niet meer denken in m’n onnozelheid, dat die vrede, als die over me komt, eeuwig is, ik zal ook aanvaarden de onrust en de strijd die er dan weer komen. Ik ben graag in de warmte en in de veiligheid, maar zal ook niet opstandig worden als ik de kou inga, als het dan maar aan Uw hand is. Ik zal overal meegaan aan Uw hand en zal proberen niet bang te zijn.
Men moet ondanks de vele mensen, de vele vragen, de veelzijdige studie, altijd een grote stilte met zich meedragen, waarin men zich steeds terugtrekken kan, ook temidden van het grootste gewoel en midden in het intensiefste gesprek.
De wereld is toch zeker voor ieder mens afzonderlijk wel eens vergaan en toch bestaat ze nog steeds.
Soms is het me of er in me een grote werkplaats is, waar hard gewerkt wordt, gehamerd en god-weet-wat.
En soms is het me of ik van binnen van graniet ben, een stuk rots en er beuken onophoudelijk sterke waterstromen tegen die rots en hollen haar uit. Een granieten grot, die steeds meer uitgehold wordt en waar contouren in gebeiteld worden en vormen. En misschien staan de vormen op een goede dag kant en klaar met scherp omlijnde omtrekken en hoef ik alleen maar na te tekenen, wat ik in me vind?
Ik denk, dat er vele onbeantwoorde en hulpeloze vragen door het luchtruim zweven, tussen de mensen heen en weer en wanneer iedereen op zijn eigen wijze en naar eigen vermogen beginnen zou die vragen uit hun zoek en hulpeloosheid te verlossen, waarvoor hij een antwoord, een onderdak heeft, dan zouden er niet zo vreselijk veel dakloze vragen zijn.
Gedicht
Er was een meisje dat bleef schrijven
Terwijl de wereld donker werd
Ze zocht een stille plek van binnen
Waar hoop nog zachtjes werd gehoord
Ze zei: bewaar het licht in jezelf
Ook als de nacht steeds groter lijkt
Want wie het goede blijft bewaren
Laat zien dat menselijkheid niet wijkt
Haar woorden reizen door de tijd
Van bladzijde naar mensenhart
En fluisteren nog altijd verder
‘Blijf mens, zelfs midden in de nacht”
A song in honour of Esther Hillesum (Middelburg, 15 January 1914 – Auschwitz, Poland, c. 30 November 1943), born into a Dutch Jewish family, became a source ...